Wijk C

  • KIJK OP HET WIJK: 'VAN VIKING TOT VEILING'
  • de geschiedenis van Wijk C 900-1925
  • 900-1300: de vroegste geschiedenis

Voor de vroegste geschiedenis ontbreken schriftelijke bronnen. Archeologisch onderzoek levert dan een wezenlijke bijdrage aan het begrijpen van de ontstaansgeschiedenis. Wij treffen het, want Wijk C is het archeologisch best onderzochte deel van de Utrechtse binnenstad. Sinds het begin van de jaren ’30 van de vorige eeuw, toen aarzelend een begin gemaakt werd met de sanering van de wijk, zijn er met tussenpozen, tot op de dag van vandaag opgravingen verricht. Variërend van kleine waarnemingen tot de grootste opgraving die ooit in de middeleeuwse binnenstad is uitgevoerd: die bij de Jan Meijenstraat in de periode 1979-1981.

  • vikingen

Zoals het ontstaan van het oude Utrechtse centrum verbonden is met loop van de rivier de Rijn, is het ontstaan van Wijk C verbonden met de loop van de rivier de Vecht. Even ten noorden van Waterstraat is tijdens de ‘Jan Meijen-opgraving’ een van de oudste dijken in Nederland gevonden. Deze dijk is in de loop van de 10e eeuw opgeworpen, dat hebben de archeologen kunnen bepalen aan de hand van twee vleugelkammen, die afkomstig zijn uit Scandinavië en wat aardewerkscherven. Dit was de tweede aanwijzing dat de vikingen mogelijk tot de vroegste bezoekers van de wijk kunnen worden gerekend. De eerste vondst is in 1974 gedaan: een deel van de huid van een schip dat in een beschoeiing was verwerkt. Het scheepsfragment, dat helaas verloren is gegaan, stamt uit de Scandinavische scheepsbouwtraditie. Deze vondsten duiden op het bestaan van handel met ‘verre streken’ als Duitsland en Scandinavië; de noormannen kwamen blijkbaar niet alleen om onze contreien te plunderen. De oudste bebouwingssporen die in de wijk zijn gevonden, dateren van rond 950 na Chr.: het zijn wat paalgaten, resten van erfafscheidingen en greppels.

  • Waterstraathaven

Een bijzondere gevolgtrekking van de uitgebreide opgravingen bij de Jan Meijenstraat en omgeving was, dat er langs de Waterstraat een haven geweest moet zijn. Onder de oude dijk namelijk werd een zware kadeconstructie gevonden, waar schepen tegen konden aanmeren.

In de 9e en 10e eeuw heeft  de stad Utrecht zich ontwikkeld tot een belangrijk handelscentrum in de Noordelijke Nederlanden. Met als middelpunt de wijk Stathe, gelegen aan de Rijn. In de loop van de 10e eeuw wordt het voortbestaan van Stathe ernstig bedreigd door de verzanding van die rivier. Om de stroming ter plekke te herstellen, wordt rond het jaar 1000 het noordelijke deel van de Oudegracht (het oudste kanaal in Utrecht) gegraven, van de huidige Stadhuisbrug naar het noorden, naar de rivier de Vecht. Er ontstaat een havencomplex, gelegen aan de Vecht, langs een oude landweg, de latere Waterstraat. De aanwezigheid van een haven in dit gebied werd al eerder verondersteld toen in 1974 bij opgravingen in de omgeving van de Oude Koningstraat, op het terrein waar een Agentschap van De Nederlandse Bank zou verrijzen, twee vrijwel complete schepenwerden gevonden. De eerste is een platbodem van 22½ meter lengte, die tegen een beschoeiing is afgezonken. De tweede is een gezonken schip van ca. 15 meter lengte, dat erg lijkt op het ‘Utrechtse schip’, dat tentoongesteld is in het Centraal Museum. Beide schepen komen uit Duitsland. Dat konden de archeologen vaststellen aan de hand van het breeuwsel (het materiaal dat gebruikt werd om de ruimte tussen de planken te dichten). Dit breeuwsel bleek te bestaan uit mossoorten afkomstig uit het Duitse Eiffelgebergte.

Deze schepen en de kadeconstructies, die over een lengte van 240 meter zijn aangetoond, bewijzen het bestaan van een uitgebreid havencomplex. Een haven die slechts enkele tientallen jaren heeft gefunctioneerd. De Vecht verzandde ter plekke namelijk in hoog tempo. De haven lag in een door het graven van de Oudegracht ontstane, kunstmatige binnenbocht en juist hier zet een rivier het meeste sediment af. De Vecht kwam steeds sneller steeds noordelijker te stromen. De toenmalige bewoners konden de rivier niet ‘bijbenen’. Al in het midden van de 11e  eeuw werden de havenactiviteiten gestaakt.

Over de mensen die in deze periode de wijk bevolkten weten we vrijwel niets; waarschijnlijk waren het handelaren en vissers. Ondanks het verdwijnen van de ‘Waterstraathaven’, bleef het gebied bevolkt.

 

  • GELOOF EN STRIJD
  • 1400-1577: Er wordt gebouwd

Ondanks het snel verdwijnen van de ‘Waterstraathaven’ rond 1050 na Chr., bleef het gebied bewoond. Archeologen hebben geconstateerd dat er in de 11e eeuw een opdeling van het gebied vanaf de Waterstraat naar de haven heeft plaatsgevonden in ongeveer even brede percelen. Er is blijkbaar ‘onder regie’ grond uitgegeven, die door mensen gekocht, bebouwd en bewoond werd. Als de Vecht tegen het einde van de 12e eeuw haar definitieve bedding vindt, wordt het gebied tussen de huidige Oranjestraat en de noordelijke stadsbuitengracht ingepolderd; het wordt een stukje boerenland. De naam ‘polder’ voor de wijk, stamt uit deze tijd. Nu de Vecht tot rust is gekomen, ligt het grondgebied van de wijk vast: in het zuiden begrensd door het Catharijneveld (het latere plein Vredenburg), in het oosten door de Oude Gracht en in het noorden en westen door de stads-buitengracht. In de 13e eeuw komt er een einde aan het boerenbedrijf in het noorden van de wijk. Er wordt langs de stadsbuitengracht een aarden wal opgeworpen ter verdediging van de stad. Vanaf nu speelde het leven zich ‘Achter de Wal’ af.

  • Jacobikerk

De wal werd in de loop van de 14e eeuw vervangen door een stadsmuur. Langs de Oude Gracht verrijzen grote stenen huizen, die daar in opzet nog steeds staan. Elders in de wijk zijn ook fundamenten gevonden van grote stenen huizen. De meeste huizen waren nog van hout; deze waren bijzonder brandgevaarlijk. Herhaaldelijk gingen grote delen van de stad in vlammen op, zoals in 1402 toen het noordelijk deel van de stad in de as werd gelegd door een brand ontstaan achter de Jacobikerk. De eerste vermelding van deze kerk dateert uit 1122. De parochiekerk is gewijd aan Jacobus de Meerdere, die begraven ligt in het Noordspaanse Santiago de Compostella, het bekende bedevaartsoord. In de loop der eeuwen werd de kerk voortdurend uitgebreid en verfraaid. De kerk vormde in de Middeleeuwen het sociale en religieuze (katholieke) middelpunt van de buurt. Er werden missen opgedragen, de laatste roddels besproken, er werd begraven, er vonden voedsel- en turfuitdelingen plaats, honden liepen vrij rond en er was soms zelfs sprake van prostitutie. In de loop der eeuwen is de Jacobikerk herhaaldelijk vergroot en verfraaid.

  • De eerste sloop

Reeds voor 1122 was er sprake van bebouwing op de plaats van het huidige plein Vredenburg. Er stond een klooster annex hospitaal van de johannieters, met als beschermheilige Sint Catharina. Naar haar werd het terrein vernoemd waar het hospitaal stond: het Catharijneveld.

Bij de Vrede van Venlo in 1528 kwam het bewind van het Oversticht in handen van keizer Karel V: ‘de nieuwe heer van de stad Utrecht en van de steden en het land van Utrecht’. En om in de toekomst alle oproerigheid van de Utrechtse bevolking te voorkomen en een einde maken aan de inkwartiering van soldaten bij burgers, gaf de nieuwe stadhouder opdracht om een dwangburcht te bouwen. De keuze voor de bouwplaats viel op het Catharijneveld; de johannieters werden gedwongen te verhuizen naar de Lange Nieuwstraat, naar de plek van het huidige museum Catharijneconvent. De bouw werd met voortvarendheid aangepakt, soms waren er wel 1500 man tegelijk aan het werk. Om het tempo erin te houden stonden er een galg en een geselpaal op het terrein. De gebouwen waren binnen 136 dagen verdedigbaar. De burcht kreeg de naam ‘Vredenburg’, verwijzend naar de Vrede van Venlo. De grachten van het kasteel bleken spoedig te nauw, zodat werd overgegaan tot sloop van enkele huizen aan de noord- en oostzijde van het kasteel. Veel huiseigenaren zagen handel in het sloopmateriaal van hun eigen huis. Het kasteel is slechts 48 jaar in gebruik geweest! De invloed van de calvinisten – de ketters – nam in Utrecht allengs toe en eind 1576 waren de bewoners van de stad de Spaanse bezetting beu. Er volgde een belegering van Vredenburg; de Jacobikerk en omgeving hadden veel te lijden van de kogels die uit het kasteel werden afgeschoten. Na zeven weken beleg vluchtten de Spanjaarden op 1 februari 1577 uit Vredenbrug. En om definitief verlost te zijn van het ‘hatelijke voorwerp harer kastijding’ trok een deel van de Utrechtse bevolking onder leiding van Trijn van Leemput naar de burcht om een start te maken met de sloop.

  • Trijn van Leemput

Trijn van Leemput is de eerste bekende "Wijk C-se". Haar geboortedatum is onbekend, zij werd op 2 januari 1607 in de Domkerk begraven. Zij was getrouwd met Jan Jacobsz. van Leemput(ten). In 1555 betrokken zij een pand tussen de Weerdpoort en de Jacobsbrug, het huidige pand Oudegracht nr. 17. Jan begon een bierbrouwerij en pachtte een deel van bastion De Morgenster. Hij bereikte een zekere welstand en bekleedde talloze maatschappelijke functies: hopman van een burgervendel, deken van het brouwersgilde en kerkmeester van de Jacobikerk. Waarschijnlijk waren Jan en Trijn aanhangers van de populaire pastoor Hubertus Duifhuis, die in een moeilijke periode tolerantie predikte ten opzichte van andere geloofsrichtingen. Trijn heeft haar man ruim 16 jaar overleefd en samen met haar zoon Adam de brouwerij voortgezet. En of ze daadwerkelijk met de pikhouweel in de hand een groep vrouwen aangevoerd heeft, om de dwangburcht te lijf te gaan, zal wel altijd in nevelen gehuld blijven… Het is en blijft een mooie Utrechtse legende!

 

  • VENDEL EN VAANDEL
  • 1573-1795

In 1573 werd de stad opgedeeld in acht wijken, waar de orde gehandhaafd werd door vendels met aan het hoofd zogenaamde burgerhoplieden, die aanzienlijke politieke macht verwierven. De wijken werden vernoemd naar de vaandels, die weer verwezen naar de strijd tegen de Spanjaarden. Zo kreeg deze wijk de naam Handvoetboog. Was de wijk in het oosten en noorden al begrensd door een stadsmuur met waltorens, zoals de Bollaartstoren, de Viskoperstoren en toren het Paard. In opdracht van Karel V werd vanaf 1538 de stadsmuur versterkt met vier stenen bolwerken: Manenburg, Sterrenburg en Zonnenburg in het zuiden van de stad en Morgenster in het noorden. Zij behoorden tot de modernste verdedigingswerken van die tijd. Twee stadspoorten verleenden toegang tot het noordwestelijke deel van de stad: de Catharijnepoort en de Weerdpoort. Poortwachters droegen er zorg voor dat de poorten op tijd geopend en gesloten werden. Kaarten uit de 16e  en 17e eeuw tonen een wijk met voorname huizen en ruime binnenterreinen; een opvallende open vlakte vormde het Paardenveld dat zijn naam dankt aan de paardenmarkt die hier werd gehouden na de bouw van kasteel Vredenburg. De markt verhuisde terug, maar het schavot kwam er voor in de plaats! De voltrekkingen van de vonnissen vormden een waar volksvermaak. De veroordeelden liepen het laatste stukje naar de galg door wat in de volksmond heette ‘de Korte Ademsteeg’. Tijdens pestepidemieën wees het stadsbestuur het Paardenveld aan als ‘luchtplaats’ voor pestlijders, die hier, strikt gescheiden van de gezonde mensen, van de frisse lucht mochten genieten. Maar daar kwam geleidelijk verandering in. Sterk vervuilende bedrijven, zoals smederijen, leerlooierijen en smeersmelterijen werden meer en meer uit de binnenstad geweerd en werden op last van het stadsbestuur onder andere verplaatst naar het Paardenveld en omgeving. Zo groeide niet alleen de bevolking van de wijk gestaag, maar ook de vervuiling…

  • De molenwieken draaien

Achter de wal was het een bedrijvigheid van belang. Rond de Viesteeg en de Koestraat voerden de smeden hun bedrijf. Vanaf de Oudegracht werden de schepen met turf gelost door zakkendragers; turftonsters zorgden ervoor dat de turf afgemeten werd voor de verkoop. Op het Zand (de latere Koningstraat) woonden en werkten veel schoenmakers; zij waren op last van het stadsbestuur uit de binnenstad verhuisd, vanwege de stank van hun looikuipen. In de Bergstraat en de Koestraat stonden veel pakhuizen, bergplaatsen en stallen, die verband hielden met de grote veemarkt op het Vredenburg. Vijf maal per jaar was hier een paardenmarkt en eenmaal per jaar de jaarmarkt met een grote kermis. Op de Varkenmarkt werd wekelijks de varkensmarkt gehouden. En er waren talloze kroegen en herbergen in de wijk. Nicolaas van der Monde noemt er enkele: ‘Int Vergulde Vercken’ aan de Koestraat, ‘In den Engelschen Ruiter’ aan het Vredenburg en herberg ‘De Halve Maan’ aan de Jacobikerksteeg, beroemd om haar ‘welgelegene kolfbaan’.

Op de wallen ontstond ook bedrijvigheid. Het onderhoud van de verdedigingswerken was veel te duur voor het stadsbestuur, dus werden percelen op en onderaan de wal verpacht aan ondernemers. De wal was uitermate geschikt voor de bouw van molens. Hoe hoger ze staan des te meer wind ze vangen. De vroegste molens waren van hout, sommige daarvan verdwenen al snel, maar andere werden na 1745 vervangen door stenen molens. Bekende molens op de wal rond de wijk waren: de cement- en runmolen ‘Klaarwater’ op bolwerk de Morgenster en de korenmolen bij de Bollaertstoren. Beide eigenaren, Govert van Rhijn en Bernardus Sonnenberg, kregen in 1745 toestemming om een stenen stellingmolen op te trekken: ‘de RijnenSon’. De andere beeldbepalende stenen korenmolen op de wal, was ‘de Meiboom’. Het zou niet lang meer duren of Nederland werd opnieuw bezet deze keer door de Fransen. De Wijk van de Handvoetboog staat aan de vooravond van een ingrijpende naamsverandering.

 

  • VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP?
  • 1795-1925

Op 16 januari 1795 sloten stad en provincie Utrecht een capitulatieovereenkomst met het Franse leger. De stedelijke economie stond er op dat moment slecht voor en de hoop was dat de Fransen voor verbetering zouden zorgen. De stad werd een belangrijke Franse garnizoensplaats en soldaten werden bij burgers ingekwartierd. Om dit goed te laten verlopen werd per 1 februari 1795 besloten: ‘omme alle den huizingen en cameren binnen deze stad staande, te doen nummeren alsmede omme ieder compagnie of wijk een Letter te geeven van A tot H, incluis om reedenen dat men hier door de inquartiering beeter kan reguleeren…’. De wijk van de Handvoetboog werd Wijk C en toen in 1890 deze manier van huisnummering werd afgeschaft, behield de wijk als enige in Utrecht haar letter, tot op de dag van vandaag. Waarom de wijk als enige in de stad ‘haar letter’ behield, is een raadsel.

  • Burgerlijke ongehoorzaamheid

De hoop op een economische opleving onder het nieuwe bewind vervloog al snel. De Fransen voerden allerlei nieuwe belastingmaatregelen in. De Utrechtse bevolking werd armer en armer; de kerken en de stad kregen steeds meer mensen te ‘bedelen’. Het ongenoegen groeide en kwam soms tot een uitbarsting, vooral in Wijk C. Allereerst was er de opwinding over de plaatsing op de Jacobitoren van de optische telegraaf van Chappe in 1810. Deze revolutionaire vinding van Claude Chappe, zorgde ervoor dat berichten snel door het Franse rijk verspreid konden worden. De toenmalige torenspits werd gesloopt. Een ‘waardeloos religieus symbool’ werd omgetoverd in een ‘nuttig instrument’, dit tot groot ongenoegen van de omwonenden. De telegraaf werd dan ook meteen na het vertrek van de Fransen in 1813 afgebroken. De invoering van de dienstplicht in 1811 zorgde voor een rel in de Koestraat. Het waren de eerste blijken van een groot saamhorigheidsgevoel in de wijk. Maar de Fransen brachten niet alleen ellende; veel van de toenmalige wetgeving, is tot op de dag van vandaag nog van belang…

  • Sloppen, poortjes en stegen

Verworvenheden uit de Franse tijd waren bijvoorbeeld de invoering van volkstellingen en het kadaster. Daardoor kwam er zicht op de bevolkingssamenstelling, de bevolkingsgroei, de namen van de bewoners van de wijk. Huizenbouw werd op kaarten en in registers vastgelegd. Na de Franse bezetting leefde de stedelijke economie op. De Utrechtse bevolking groeide; veel arme mensen van het platteland trokken naar de stad, er kwamen Duitse immigranten, de joden mochten zich weer in de stad vestigen. Maar de ruimte was schaars. De stad zat ‘klem’ tussen de stadswallen. Open terreinen, zoals tuinen, werden in hoog tempo volgebouwd. Dat geschiedde op grote schaal in Wijk C. Burgemeester van Asch van Wijck lanceerde het plan om de wallen te slopen. De stadspoorten, het bastion de Morgenster en de stadswallen werden afgebroken. Wijk C kreeg een fraaie buitenkant: de Catharijne- en de Nieuwekade, met grote huizen en nieuwe bedrijvigheid aan de singel. De stadskraan en stadswaag verhuisden vanuit de binnenstad naar de Nieuwekade. Aan de Oudegracht kregen de katholieken in 1840 hun eigen kerk: de Sint Augustinus, die een belangrijke rol zou gaan spelen in het leven van veel wijkbewoners. De fraaie buitenkant verhulde echter de toenemende ellende ín de wijk. Het stadsbestuur bemoeide zich niet met de huizenbouw, die was particulier initiatief. 'Huisjesmelkers' als van Stockum, Lancee, van Luin en Korvezee bouwden naar hartelust slechte, kleine woningen. De vraag was immers groot. De wijk raakte overvol. De gegoede burgers vertrokken naar elders, de wijk ontwikkelde zich tot een echte volksbuurt, waar nieuwkomers snel integreerden, waar de saamhorigheid groot was, waar men een groot deel van de dag op straat leefde en waar men rondkwam van ‘losse arbeid’. Maar de barre hygiënische omstandigheden maakten de wijk extra kwetsbaar bij een uitbraak van besmettelijke ziekten…

  • De Asiatische braakloop

In Nederland heeft de cholera asiatica in de 19e eeuw gruwelijk huis gehouden. De stad Utrecht werd zwaar getroffen in de periodes 1832-33, 1848-49 en 1866. De oorzaak van de ziekte werd pas in 1883 ontdekt: door bacteriën besmet drink- of waswater. Mensen die leefden in slechte (woon)omstandigheden hadden de grootste kans op besmetting. Eenmaal besmet stierf 40-60% van de patiënten. In Wijk C en de noordelijke Wijk M woedden de cholera-epidemieën het hevigst. De hygiënische toestanden waren allerbelabberdst. Een medicus meldde: “op vele plaatsen treft men de uitwerpselen van menschen aan, hetwelk mede vooral schijnt te moeten toegeschreven aan het gebrek aan secreetzittingen, daar op sommige plaatsen meer dan 20 huishoudingen zich van één secreet moeten bedienen”. Een andere arts vroeg een gids aan, omdat hij: “in dit ware doolhof zeker in de nachtelijke uren, heg noch steg kan vinden”. In de meeste stegen ontbraken riolering en plaveisel, waren de huizen en secreten slecht en lagen op alle hoeken bergen vuilnis. Er waren maar liefst 330 mesthopen! Varkens liepen los over straat. Pispotten werden op straat geleegd. De pompen leverden slecht water. Berucht waren de ‘Keukentjes van Korvezee’ in de Achterstraat. De eigenaar had een blok huisjes in tweeën opgedeeld door de keukentjes af te timmeren en apart te verhuren voor 20 cent per week. De in 1855 opgerichte Gezondheidscommissie vond dat: “zij te ongezond zijn om door dieren bewoond te worden”. Er vielen honderden slachtoffers in de wijk tijdens de grote epidemieën. Op het Paardenveld werd een ‘doodenhuis’ ingericht. En omdat de oorzaak van de ziekte onbekend was, stelden de mensen hun hoop in louche dokters, wondermiddelen of in een of andere heilige. De overheid liet huizen ontsmetten, varkens moesten in een hok en er werden meer pompen geslagen. Aan de Waterstraat werd een volksgaarkeuken geopend. De cholera-uitbraken zorgden voor een voorzichtige aanzet tot de verbetering van de woningen en de algehele hygiëne…

  • Oranje boven

De cholera-epidemieën zorgden ervoor dat de politiek en de gegoede burgerij meer aandacht kregen voor verbetering van de barre leefomstandigheden in Wijk C. ‘Licht en Lucht’ werd het devies. Vooral de jeugd kreeg extra aandacht. De wijk was inmiddels geheel volgebouwd, ruimte voor de kinderen om te spelen was er nauwelijks. Het gemeentebestuur stelde zich tot doel: “de jeugd een behoorlijke en gezonde gelegenheid te bieden waar ze zich op gepaste wijze kon verpozen”. Dit plan vond ín en buiten de wijk veel bijval. Wegens geldgebrek dreigde het plan te stranden, maar op initiatief van de topman van de Steenkolen Handels Vereeniging, H.A. van Beuningen, werd het plan in 1883 gerealiseerd. Op een ‘groote, kale, eenzame vlakte, het Eeckerensplein’ werd het Oranjepark aangelegd, een van de eerste volksparken in Nederland, met de eerste openbare kinderspeeltuin in Utrecht. De naam ‘Oranje’ voor het park was niet zo vreemd. Al in 1863 gaf de bevolking blijk van haar liefde voor het koningshuis. Bewoners van ’t Zand, de Zand- en Catharijnestraat, waaronder de bekende logementshoudster ‘Oranje Ka’, verzochten B&W om een naamswijziging van hun straten in: Koning-, Oranje- en Willemstraat. Daarin werd van harte toegestemd: “Wijk C, onze Oranjewijk!”.

Om het park te beheren werd de ‘Vereeniging Oranje Park’ opgericht door wijkbewoners: de eerste buurtvereniging van Utrecht. Zij organiseerde jaarlijks ‘grootsche kinderfeesten’ op Koninginnedag (31 augustus). Duizenden kinderen, niet alleen uit de wijk, trokken naar het park. In de loop der jaren stichtte de vereniging onderafdelingen: het muziekcorps ‘Oranje-Nassau’, de zangafdeling ‘Juliana’, de gymnastiekafdeling ‘Excelsior’en de bloemenkweekafdeling ‘Oranjebloem’. In 1924 werd het clubhuis, het Oranjehuis, geopend. De bevolking had behoefte aan een sprookje, ‘het sprookje van Oranje’, om de zorgen van alle dag even opzij te kunnen zetten…

  • ‘Appelie gebraai!’

De sloop van de stadswallen zorgde vanaf het midden van de 19e eeuw voor nieuwe bedrijvigheid, mede door de introductie van de stoommachine aan het eind van die eeuw. Op de Nieuwekade vestigden zich de Bierbrouwerij de Krans, de Utrechtsche Stoommosterdfabriek Van Rijn, de Utrechtsche Stoom Grofsmederij Hörmann, die in 1896 de Paarden- of Molenbrug over de singel bouwde, de bodebedrijven Vogelpoel & Noorwegen en Reimus-de Tijdgeest. Douwe Egberts begon zijn Utrechtse vestiging aan de Catharijnekade. Op de hoek van de Lange- en Korte Viestraat stond de moderne sigarenfabriek van Hagen. Aan het Vredenburg en de Lange Viestraat stonden gerenommeerde winkels als kledingmagazijn Dijckhoff, Vroom en Dreesmann, in manufacturen, Keers, de luxebakkerij en van Dillen, in ijzerwaren. Dé winkelstraten in de wijk waren de Willem- en de Waterstraat, met bekende zaken als drogisterij Dijkman, de bakkerijen Koppert, Cohen en Hus, galanterieën van Pappie, de slagerijen Leemans, Bals en Sennef, het bibliotheekje van Hoonte, dat uitgroeide tot een grote drukkerij, de visgroothandels van Van der Mars en Van den Brink. In 1909 werd op het Paardenveld het veilinggebouw van de Groenten- en Vruchtenveiling Utrecht e.o.geopend, drie jaar later gevolgd door een bloemenveiling. In 1917 opende de Jaarbeurs haar poorten aan het Vredenburg. De wijk bruiste van de activiteit. De talloze logementen en kroegen waren stampvol. Schepen voeren af en aan. Sjouwers zorgden voor het lossen van de schepen, de slepersbedrijven voor het verdere vervoer met paard en wagen. De kleinhandel bloeide als nooit tevoren. De venters trokken er met de handkar op uit om hun waren, bloemen, groenten, vis, overal in de stad aan de man te brengen. Appeltjes bij de bakker de oven in, wat suiker erover en dan met de kar er op uit. ‘Appelie gebraai, appelie gebraai’, klonk het over straat. De Wijk C-ers zagen overal handel in…