Algemeen

De Stichting Nederlands Volksbuurtmuseum (voorheen Volksbuurtmuseum Wijk C) is enig in zijn soort in Nederland. Diverse musea in het land besteden weliswaar aandacht aan de stadsgeschiedenis maar gaan zelden over de dagelijkse geschiedenis van de ‘gewone man’ in de 19e en 20e eeuw. In Utrecht ontbreekt zelfs een vaste opstelling over de stadsgeschiedenis. Over het algemeen gaan dergelijke tentoonstellingen vooral over stadsbestuur en stadseconomie met een nadruk op de geschiedenis van de ‘bevoorrechten’. De geschiedenis van de gewone man (ca. 80% van de bevolking) komt wel aan bod in de openluchtmusea, maar daar is de aandacht vooral gericht op de plattelands- en visserijbevolking. Het is vreemd dat de geschiedenis van een groot deel, zo niet het grootste deel, van de bevolking niet is terug te vinden in het Nederlandse museale aanbod.
Na sluiting van het Volksbuurtmuseum in Den Haag is het Volksbuurtmuseum het enige museum dat deze naam draagt. Als kleinschalig buurtinitiatief begonnen en inmiddels uitgegroeid tot een middelgroot museum heeft het een landelijke adviserende functie. Dit heeft in een aantal gevallen ertoe geleid dat elders een aantal buurtmusea tot stand is gekomen.
 Van de Volksbuurt kan je leren
Stereotype beeldvorming over bepaalde bevolkingsgroepen is van alle tijden. Het negatieve imago van Wijk C  betrof een nu verdwenen volksbuurt. De historische volksbuurt , zoals die in Wijk C heeft bestaan, is nauwelijks meer in West-Europa te vinden. De historische volksbuurt vertoonde andere trekken dan hedendaagse volksbuurten. Ze had een gemêleerder bevolking en was door de vele bedrijfjes, ambachten en winkels voor een groot deel zelfvoorzienend. Maar de historische volksbuurt heeft ook duidelijke overeenkomsten met  hedendaagse wijken, zoals oude arbeiderswijken, multiculturele wijken, vaak samengevat als ‘Vogelaarwijken’. Ook daar zijn de huizen relatief klein, bewoners zijn afhankelijker van wederkerige hulp dan bewoners in rijkere buurten en hebben meer binding met de buurt, hun “territorium”. In delen van deze buurten heerst een “culture of poverty” waarin bewoners geen mogelijkheden meer zien om sociaal te stijgen, fatalistisch zijn geworden en zich aangepast hebben aan hun armoede. Ze hechten veel waarde aan de buurtgemeenschap, aan familieverbanden en aan onderlinge gelijkheid. De overheid heeft vaak een negatief beeld van buurten waar hoofdzakelijk armere mensen wonen en voert daarom een spreidingsbeleid. Bewoners zelf denken daar soms heel anders over. Juist door de buurtbinding, de gedeelde armoede en de wederkerige hulp heeft het voor hen een betekenis om in een dergelijke buurt te wonen.
 
Met dit algemene, nationale thema richt dit museum zich tot een groot publiek. Het hoofdthema is niet tijd - of plaatsgebonden waardoor het museum niet gebonden is aan een historische periode of een locatie. Het museum probeert net zoveel aansluiting te vinden bij mensen buiten Utrecht als daar binnen. Het hoofdthema leent zich deels voor een belevingsmuseum wat jongere bezoekers zal aanspreken. Het identiteitsmuseum maakt een directe relatie met de hedendaagse maatschappij door aan te geven dat het hoofdthema van alle tijden is. Hierdoor is de afstand van het museum naar de maatschappij verkleind en kan het inspelen op allerlei actuele zaken uit de regio of het land die met het thema te maken hebben.
 
Daarmee levert het Volksbuurtmuseum een bijdrage aan de sociale cohesie in Nederland, een rol waarvan overheden graag zien dat musea ze oppakken. Het Volksbuurtmuseum kan zich met deze doelen naar buiten toe sterk profileren. Verschillende andere musea proberen stereotypen te doorbreken om zo de emancipatie van bevolkingsgroepen te bevorderen en een bijdrage te leveren aan sociale cohesie. Voorbeeld van een tentoonstelling waarin beelden die mensen in hun hoofd hebben onder de loep werden genomen was de tentoonstelling “Wit over zwart” in 1990 in het Tropenmuseum. Daar werd getoond welke beelden witte mensen door de tijd heen hebben gehad van zwarte mensen. Ook in de tentoonstelling “Prostitutie in Amsterdam” in 2003 had beeldvorming een bewust ingebrachte en expliciete rol. Het Afrikamuseum in Berg en Dal houdt zich in zijn nieuwe opstelling (sinds 2006) bezig met het doorbreken van stereotype beelden over Afrika en wil daarmee interculturele dialoog bevorderen. Naast deze voorbeelden zijn de huidige ontelbare projecten die door musea met en voor nieuwkomers en allochtonen worden georganiseerd, ook voorbeelden van doorbreken van beeldvorming en het versterken van identiteit. Deze, vaak tijdelijke, projecten hebben hun nut bewezen maar beklijven zelden.
 
Unieke werkwijze
Met social inclusion (het betrekken van bijzondere doelgroepen bij cultuur) heeft het museum ruime ervaring. Bij de oprichting van het museum zijn de Wijk C- bewoners actief betrokken geweest door de gezamenlijke aanleg van de collectie. Buurtbewoners leverden op verzoek persoonlijke bezittingen aan en lieten zich interviewen om de identiteit van de wijk in leven te houden. Het museum gebruikt de collectie om een genuanceerder beeld van het leven in de volksbuurt te geven. Deze samenwerking tussen museum en de buurtbewoners werkt ook voor andere doelgroepen.